WikiDelft verdient aandacht!

Historische Wikipedia voor Delft en omstreken

WikiDelft is de historische Wikipedia voor Delft en omstreken. Op WikiDelft worden verhalen over de stad en haar geschiedenis in woord en beeld verzameld. Hierbij staat de interactie centraal. Iedereen kan verhalen, foto’s en filmpjes op deze website kwijt en kan reageren op verhalen van anderen.

Thema’s

De informatie op WikiDelft draait rond een aantal thema’s: Verhalen in de buurt, Straten in Delft, Tunnels in Delft, Buurten in Delft, Wijken in Delft, de Spoorzone, Delfts Blauw, Delft en de Oranjes, Delft en de VOC, Delftse instellingen, Delftse personen, Delftse Meesters, Muziek in Delft, Industrie en Techniek, Moderne Kunst in Delft, Delft en de Gouden Eeuw en Vluchten. Onder die thema’s kunnen artikelen aangemaakt worden over allerlei onderwerpen.

Delftse datums

In de etalage vind je bovendien het onderdeel ‘Delftse datums’, dit is een kalender met historische datums voor deze maand. Wat gebeurde er in Delft op deze dag in vroeger eeuwen?

Vrijvrouwe van Renswoude

Op 11 december 1759: De Fundatie van de Vrouwe van Renswoude wordt opgericht en vestigt zich aan de Oude Delft, nu nummer 49.

De vrijvrouwe van Renswoude was Maria Duyst van Voorhout (geb. Delft 22-1-1662 – gest. Utrecht 26-4-1754), stichteres van de fundaties van Renswoude. Dochter van Hendrik Johansz. Duyst van Voorhout (1637-1674), burgemeester van Delft, en Cornelia Rataller Doublet (gest. 1665). Maria Duyst van Voorhout trouwde in mei 1681 te Delft met Dirk van Hoogeveen (1650-1683), lid van de Leidse vroedschap; na zijn dood trouwde ze op 25-6-1685 te Nootdorp met Frederik Adriaan van Reede, vrijheer van Renswoude en Emmikhuijsen (1659-1738).

Van erfenis tot studiebeurs

Dankzij de fundaties van de vrijvrouwe van Renswoude hebben een paar honderd weesjongens de kans van hun leven gekregen. Zij konden een opleiding volgen die hun de mogelijkheid bood architect, ingenieur, stuurman heel- en vroedmeester te worden.

In 1985 heb ik bij mijn toenmalige werkgever Meinema te Delft het boek Van erfenis tot studiebeurs – de Delftse fundatie van Renswoude gecorrigeerd. Auteurs waren E.P. de Booy en J. Engel.

Van erfenis tot studiebeurs

De Delftse Fundatie van Renswoude

In 1754 overleed Maria Duyst van Voorhout, vrijvrouwe van Renswoude, op 92-jarige leeftijd. Ze was miljonair, kinderloos en zonder favoriete neven of nichten. Bij testament wees ze drie weeshuizen aan als erfgenaam, het Burgerweeshuis te ‘s-Gravenhage, het Stadsambachtskinderhuis in Utrecht en het Weeshuis der Gereformeerden binnen Delft. Elke instelling verwierf zo ruim 500.000 gulden, ondergebracht in drie zelfstandige stichtingen (hoewel de besturen van deze drie Fundaties van Renswoude regelmatig contact met elkaar onderhielden). Elke stichting koos met de opbrengst van het kapitaal intelligente jongens van 15 jaar en ouder uit het weeshuis, bracht hen ergens afzonderlijk onder dak en leidde hen op tot de ‘mathesis, teekenen of schilderkunst, beeldhouwen of beeldsnijden, oeffeningen in sware dijkagien tot behoudinge van ons landt of dergelijke libre consten’.

E. P. de Booy, e.a., Van erfenis tot studiebeurs. De Fundatie van de vrijvrouwe van Renswoude te Delft. Opleiding van wezen tot de ‘vrije kunsten’ in de 18de en 19de eeuw. De fundatiehuizen. Bursalen in deze eeuw (Hollandse studiën XV; Delft: Drukkerij Meinema, Fundatie van Renswoude, 1985, 319 blz., ƒ 50,-, ISBN 90 704 03 15 3 (ingen.), ISBN 90 704 03 16 1 (geb.)).

Dit gedenkboek beperkt zich tot de Delftse Fundatie en gaat in drie bijdragen in op het gegeven onderwijs, de huisvesting en de beleidswijzigingen in de twintigste eeuw. Het meest uitvoerige stuk is van de hand van mevrouw E. P. de Booy, die zeer gedetailleerd nagaat welk onderwijs werd gegeven door de internaatstaf aan 136 jongens, die tussen 1756 en 1920 op het instituut verbleven. Het was voor die tijd uitstekend onderwijs, in de achttiende eeuw ongeveer gelijk te stellen aan het huidige hoger beroepsonderwijs. In de negentiende eeuw kwam de nadruk meer te liggen op de voorbereiding tot en ondersteuning bij externe schoolopleidingen.

Fundatie

Het aardigste in dit stuk is overigens niet zozeer de analyse van het onderwijsaanbod, als wel het inzicht in de overwegingen rond de beroepskeuze van de leerlingen. Zo meende de internaatstaf in het midden van de achttiende eeuw dat de leerling Adriaan Besemer een middelmatig verstand had, geen aanleg voor wiskunde en tenger gebouwd was. Dat maakte hem voor veel beroepen ongeschikt: de keus was eigenlijk beperkt tot horlogemaker of chirurgijn. Nu had de jongen wel een goed geheugen en kon daardoor Latijn leren. Dat gaf de doorslag om hem op te leiden tot chirurgijn: daarvoor was slechts nodig operaties bij te wonen en ijverig boeken te lezen.

De Fundatie van Renswoude bestaat nog steeds. Klik hier

De grote ommekeer in het beleid van de Fundatie vindt plaats in het begin van de twintigste eeuw. De achtergrond daarvan is het opdrogen van het recruteringsgebied: de weeshuizen zijn bezig te verdwijnen. In twee korte bijdragen beschrijft J. Engel hoe de stichting vanaf 1915 zich gaat richten op het verstrekken van studiebeurzen (onder andere aan de historicus Rüter). Het eigen internaat wordt verkocht, zoals ook de bestaansgrond van het weeshuis steeds onduidelijker wordt. In overleg met het departement van justitie werd tenslotte het weeshuis omgezet in een ‘Tehuis van werkende jongeren’ (1951), waarvoor in 1970 zelfs een nieuw gebouw werd betrokken dat nog geen tien jaar (en vele teleurstellingen) later verkocht zou worden aan de gemeente Delft en bestemd werd voor studentenhuisvesting.

In 1985 werkte ik als corrector bij Drukkerij Meinema in Delft. De correctie van dit boek was mijn verantwoordelijkheid. Dergelijke boeken keek (en kijk) ik graag na.

Van een eeuwenoude instelling is dus niet veel meer over, alleen de Fundatie bestaat nog met een nuttige, zij het zeer beperkte taak: het school- en studiebeurzensysteem werd in de jaren vijftig door de overheid zo uitgebreid, dat de Fundatie nu ook beurzen geeft aan meisjes, buitenlanders en men zelfs niet langer christelijk hoeft te zijn om in aanmerking te komen.

Bron: recensie van P. de Rooy

Het geheel is als gedenkboek wel geslaagd. Het geeft een aardig inzicht in de ontwikkeling van de Fundatie, ook al valt er wel een overmatige nadruk op het onderwijs in de achttiende eeuw. De ommekeer in de twintigste eeuw is meer aangestipt dan behandeld. Het grootste bezwaar zit dan ook eigenlijk in het genre ‘gedenkboek’ als zodanig. De aandacht wordt in dit genre immers bijna altijd opgeëist door de glorierijke perioden, tegenslagen worden altijd overwonnen. Verbanden met relevante maatschappelijke ontwikkelingen worden nauwelijks gelegd (zo ontbreekt bijvoorbeeld hier een verwijzing naar het bekende opstel van J. A. de Jonge over Delft); uitholling van oude idealen en enigszins wanhopig streven naar nieuwe taken wordt afgeschilderd als flexibele aanpassing aan moderne tijden. Dit boek heeft alle voor- en nadelen van dit soort geschiedschrijving, maar het genre is wellicht passend voor deze Fundatie: beperkt van betekenis, maar nuttig.